Afgelopen zaterdag was ik in Breda voor DojoCon NL, de Nederlandse conferentie van en voor de CoderDojo vrijwilligers. CoderDojo organiseert gratis bijeenkomsten waar kinderen kunnen leren programmeren. Ik was in Nederland nog nooit in een CoderDojo, maar ken het wel: In 2014 was ik in Ierland bij een CoderDojo. De uitnodiging kwam van Marloes, bestuurslid van CoderDojo Nederland, en mijn collega in het Impact door Connectie werk met Fers/Bibliotheek Service Friesland.

Impact door Connectie was ook meteen de directe aanleiding voor de uitnodiging om te komen spreken op DojoConNL. Want daar ging het er om kinderen in staat te stellen met techniek invloed te nemen op hun eigen omgeving. Technologie in de vorm van tastbare dingen als hardware, software, en digitale maakmachines, maar ook technologie in de vorm methoden en werkvormen waarvan we weten dat ze goed werken. En de combinatie van die vormen van technologie. CoderDojo gaat misschien meer over de interesse en vaardigheden in programmeren en techniek op zich, maar maakt volledig deel uit van dat geheel.

Mijn verhaal maakte ik de donderdag en vrijdag voor de conferentie. Uiteindelijk werd het eigenlijk een Nederlandse en veel meer gedetailleerde en verhalende versie van mijn presentatie vorig voorjaar op State of the Net in Italië. Centraal stond hoe en wanneer technologie leidt tot meer handelingsvermogen, en wanneer dat wel (en niet) tot het gevoel leidt dat je een superkracht hebt ontdekt, uiteindelijk gekoppeld aan de rol die je als CoderDojo vrijwilliger dan kunt nemen. Ik had een uur de tijd, dus ik knipte het op in secties, met tussendoor telkens een korte oefening of vraag voor alle mensen in de zaal.

I De superkracht van samen betekenisvolle dingen doen

Wat opvalt aan de groep waarmee we in Leeuwarden werkten was de enorme energie die loskwam bij de kinderen. Ook maanden na het project waren ze er nog vol van, en noemden ze het het leukste wat ze gedaan hadden.

Als je kinderen van een jaar of 10 echter voor het eerst vraagt wat er nodig is in hun omgeving, wat ze willen maken is het antwoord in het begin vooral “Robots!”. Om je kamer op te ruimen, want kennelijk is het net de leeftijd waarop ze dat zelf moeten doen, en dan is het handig voor die opruimtaak je ouders te vervangen door een robot .

In volgende gesprekken kwamen we verder in de vraag wat wil je veranderen, verbeteren of toevoegen aan je eigen omgeving? Om vervolgens te verkennen wat je zelf daaraan kunt doen, wat anderen in je omgeving daaraan kunnen doen, en wat er dan nog ontbreekt in termen van techniek of methoden.
Ontbrekende delen werden dan aangereikt door het team van Fers (Bibliotheek Service Fryslan).
De klassieke rol van bibliotheken van het aanreiken en toegang geven tot kennis, in een nieuw jasje dat ook digitalisering en maken omvat.

Sommige kinderen vonden hun weg snel daarin, soms moet je ook eerst wat dingen overwinnen. Er was een kind dat zei niets te kunnen, niets echt leuk te vinden. Een ander zei te houden van dingen mooi maken, maar “daar heb je niks aan”. Dat klinkt beiden niet als de stem van het kind, maar een projectie van buitenaf.

Uiteindelijk werd er van alles gemaakt, een periscoop om gedumpt afval in viswater op te sporen, zelfgemaakte telefoonhoesjes (helaas niet likbaar met een smaakje), een beloningssysteem op school (ipv alleen straf bij slecht gedrag), een mobiel pestalarm voor op het schoolplein, een programmeerbaar slot op je kamerdeur tegen jongere broertjes of zusjes, en een mp3 speler voor luisterboeken in de klas.

Samen zelf iets oplossen voor je eigen omgeving gaf de kinderen in de groep een enorme energie. Een gevoel een superkracht te hebben aangeboord. En dat is het natuurlijk ook. Invloed nemen op je omgeving voor iets wat je belangrijk vindt is echt een superkracht.

Oefening 1: wanneer voelde jij je een superheld door iets te maken?

Als oefening vroeg ik iedereen in de zaal iemand naast je te vertellen over iets dat je zelf maakte of deed dat je het gevoel gaf een superkracht te hebben. Dat leidde tot geanimeerde gesprekken, waardoor het bijna onbeleefd voelde om het na 3-4 minuten te onderbreken om verder te gaan met mijn verhaal.

II De vier ingrediënten die die superkracht mogelijk maken

Dat iedereen in de zaal wel momenten kon aanwijzen waarop ze voelden die superkracht te hebben, betekent tegelijkertijd dat je dat gevoel niet bij alles wat je maakt of afrondt hebt, en al helemaal niet continue dat gevoel hebt. Eerder is het omgekeerde geval, een grote honger naar betekenisvolle actie.

Ik denk dat dat komt omdat er vier ingrediënten nodig zijn om die superkracht te ervaren.

  • Het vraagstuk moet er toe doen voor je persoonlijk in je eigen omgeving
  • Je werkt met alle bij de vraag betrokkenen uit je eigen omgeving samen aan een oplossing,
  • De technologie die je gebruikt heeft een specifieke vorm,
  • Zowel de mensen als de techniek die ze gebruiken zijn genetwerkt, ook weer op een heel bepaalde manier.

II.1 Het vraagstuk moet er in de eigen omgeving voor jou toe doen

Allereerst moet het vraagstuk waaraan je werkt er toe doen voor jou en je omgeving. In complexe vraagstukken, zijn er geen algemene oplossingen, die ieder voor zich kan doen. Maar je kunt wel uitgaan van hoe iets in jouw eigen omgeving tot uitdrukking komt en betekenis heeft. En het zijn de mensen in diezelfde omgeving die voor elkaar betekenisvol in actie kunnen komen. Waar willen jij en de mensen die er voor jou toe doen impact bewerkstelligen in hun eigen leefomgeving?
Als het er voor jezelf niet direct toe doet, waarom zou je dan? Wat er toe doet is dus een belangrijke vraag om tijd aan te besteden met je omgeving.

II.2 Je werkt met alle bij de vraag betrokkenen uit je eigen omgeving samen aan een oplossing
Een ander aspect is dat je het niet alleen doet maar met zoveel mogelijk van de betrokkenen rond het vraagstuk die deel uitmaken van je directe omgeving en context. Het gaat namelijk niet om jouw handelingsvermogen als individu (kijk wat ik kan), en niet om de maatschappij als geheel (one size fits all oplossingen), maar om het handelingsvermogen van een groep. Dat is het tweede ingredient: je doet het met alle betrokkenen.

Op groepsniveau worden wederzijdse afhankelijkheden en feedbackloops zichtbaar die in complexe vragen de uitkomsten bepalen. Dat is het schaalniveau van plukjes relaties, communities, buurten.

Dat maakt jou en je directe relaties in de context van een specifieke vraag tot de eenheid van handelen. Jij en je buren, zoals de Marokkaanse buren tijdens wereld opruimdag in slide 23, jij en je collega’s, jij en je sportteam, of jij en je klasgenoten zoals in Leeuwarden.

Nou zijn die eerste 2 ingrediënten, eigen issues, en samen met alle betrokkenen, van oudsher van belang. Collectieve actie is van alle tijden. De volgende 2, de rol van technologie, en netwerken, zijn van gedaante veranderd door de wereldwijde digitalisering. Zij geven een vliegwiel aan die collectieve actie. En in het vliegwiel schuilt de superkracht.

II.3 De technologie die je gebruikt heeft een specifieke vorm
Technologie, zowel hard- en of software als methodieken, waarvan we weten dat ze veel kunnen betekenen en goed werken, dragen alleen bij aan een superkracht als het een bepaalde vorm heeft.
Instapdrempels zijn belangrijke obstakels. Bij elke nieuwe technologie uit de lijst in slide 27 was er wel een belofte dat het voor iedereen haalbaar is. Het wordt ook wel makkelijker, maar het is nog lang niet simpel genoeg.

Technologieën staan nooit op zichzelf. Het draait juist ook om combinaties van technologieën. Open source hardware om iets te meten, open source software om het te verwerken, open data om te delen en community building om de resultaten te gebruiken, bijvoorbeeld. In termen van handelingsvermogen moet je dus ook denken in combinaties van technieken en methodieken.

Niet alle technologie echter geeft je een gevoel van kracht.
De groep die in hun eigen context aan de slag is, voelt die kracht als ze technologie gebruiken die grijpbaar is voor de groep, kleiner is dan de groep zelf.

Kleiner betekent dat de macht over het gereedschap geheel bij de groep moet liggen:

  • De groep beslist over het waar, wanneer en voor wie de techniek wordt ingezet.
  • De scope van het gereedschap moet dat van de groep zelf zijn. Een forum voor je team, niet een teampagina op Facebook, want daar is de scope wereldwijd.
  • De groep kan het gereedschap veranderen, kan dingen toevoegen, of weg halen, er op voort bouwen.
  • Alleen de groep zelf kan de aan- en uitknop bedienen, niemand anders.
  • Het gereedschap is voldoende begrijpbaar en transparant voor de groep om de werking te vertrouwen.
  • Het gereedschap communiceert alleen met andere gereedschappen als de groep het wil.

II.4 Zowel de mensen als de techniek die ze gebruiken zijn genetwerkt, ook weer op een heel bepaalde manier
Het vierde ingredient, netwerken, geeft aan die technologie die kleiner is dan de gebruikers ervan, en aan de groepen gebruikers zelf nog een extra draai. Gedistribueerde digitale netwerken en menselijke netwerken vertonen veel gelijkenissen, en die overlap kun je als uitgangspunt nemen om meer handelingsvermogen te bereiken.

Voor technologie betekent het netwerkperspectief dat 1 instantie ervan nuttig moet zijn op zichzelf, maar dat het versnellend kan werken en kwalitatief andere resultaten geeft als meerdere instanties zich met elkaar kunnen verbinden. Een eigen 3d printer is handig, maar het is ook handig dat je ontwerpen met anderen kunt delen, of met andere mensen ingewikkeldere dingen kunt printen, zoals op maat gemaakte handprotheses.

Genetwerkte techniek maar collectieve actie mogelijk. Ik heb een sensor in de tuin die de temperatuur meet. Handig voor mij. Maar die sensor deelt ook data online, en zo’n honderd anderen doen dat ook in de stad. Daarmee hebben we ineens een kaart van microklimaten in de stad, waar overheden, burgers allemaal iets mee kunnen, en ontstaat er collectieve waarde.

Dat netwerk effect speelt ook op menselijk niveau. Die groep buren in Marokko net hebben zwerfvuil opgehaald. Dat is nuttig in hun wijk, maar ze deden het in context van World Clean Up day, en op die dag lopen er ook vrijwilligers bij mij in de wijk rond. Beide groepen weten zich gesterkt door het idee dat ze er niet alleen voor staan. En al die groepen wereldwijd maken gebruik van elkaars kennis: om lokale medestanders te vinden, om blijvend effect te hebben.
Ook hier, 1 groep op zich doet nuttige dingen, maar het wordt waardevoller als ze het in verbinding met anderen doen.

De groep, de eenheid van handelingsmacht, is geen eiland, maar een genetwerkte groep.

Die prothesemakers en die buurvrouwen zijn superhelden.
Technologie en methoden die kleiner zijn dan een groep zelf, is het gereedschap dat het hen makkelijker maakt om een maker te zijn. Een maker die met anderen actief haar omgeving mee bepaalt en vormt. Steunend op netwerken voor kennis en inspiratie, en bijdragend aan netwerken voor meer effect.
Het zijn die groepjes genetwerkte makers die het gevoel ervaren een superkracht te hebben.

Oefening 2: Wie is eigenlijk een maker?

Maar wie is een maker? Steek je hand op als je ooit een
wetenschappelijk artikel publiceerde, iets ontwierp, een computerprogramma schreef, een voorwerp maakte, een liedje componeerde, een liedtekst schreef, een opname maakte van jezelf terwijl je muziek maakt of zingt, een video maakte, een foto, een gedicht schreef, een scriptie, een roman, een verhaal, ooit een tekening maakte, een grap bedacht, een goocheltruc bedacht, een blogpost schreef, een Tweet die veel mensen leuk vonden, een Sinterklaasgedicht.

III Een maker heeft morele verplichtingen

Iedereen is eigenlijk een maker dus. Als je ooit een van de dingen uit die lijst hierboven hebt gemaakt, heb je economische en morele rechten verworven. Iedereen die iets maakt creëert rechten op het gemaakte. Auteursrechten bijvoorbeeld. En als maker ben je, vind ik, moreel gehouden iets met die rechten te doen. Om op elkaars kennis voort te kunnen bouwen, moet je er toegang toe hebben, en de mogelijkheid het te gebruiken en te veranderen. En het dan weer te delen, zodat iemand anders het weer verder kan brengen. Dit is hoe alle menselijk kennis is verworven. Dat betekent dat rechthebbenden wel duidelijk moeten aangeven dat wat ze maakten beschikbaar is voor de gemeenschappelijke pool van kennis en cultuurgoed, zodat anderen er zonder te twijfelen op voort kunnen bouwen. Met een Creative Commons licentie bijvoorbeeld. Delen is een must vind ik, al vergt dat vaak zelfoverwinning. Iedereen heeft wel eens iets niet gedeeld, terwijl dat wellicht wel nuttig was geweest, omdat ze het niet goed genoeg vonden, om omdat ze het te triviaal vonden.

Ook na 17 jaar bloggen moet ik me telkens weer voorhouden dat het ok is om iets eenvoudigs er op te zetten. Maar als ik zelf ook heb zitten googelen voor hints hoe ik iets zou kunnen doen is het waarschijnlijk nuttig om te delen hoe ik het uiteindelijk heb gedaan.

De Techpledge sterkt me in die overtuiging. Die roept op om verantwoording te nemen voor wat je maakt. Een moreel pakketje commitments naast de rechten die je verwierf door iets te maken. Te blijven praten over de macht die technologie je kan geven, en of die macht wel op de juiste plek ligt. Je bent niet klaar als je iets hebt gemaakt. Dan begint het moreel eigenaarschap pas.

Dat moreel eigenaarschap strekt zich ook uit over wáár je deelt wat je deelt. Platforms komen en gaan. Ze zijn geen voorbeeld van technologie die kleiner is dan jijzelf. Jij beschikt niet over de uitknop.
Duurzaam delen betekent dat het op een webadres staat waar jij over kunt blijven beschikken. Zodat je het kunt repareren als iets ophoudt te werken. Elk platform gaat ter ziele, bedrijven bestaan gemiddeld 4 tot 5 maal korter dan de gemiddelde levensduur van een mens. Het IndieWeb stelt duurzaam delen centraal: jouw online identiteit op jouw domeinnaam, jouw content, en jouw interactie. Je kunt platforms wel gebruiken, maar er niet op bouwen .

Delen hoort bij het moreel eigenaarschap. Mijn vriend Peter heeft het over een obligation to explain. Als je iets met techniek doet, of groepen begeleidt, heb je een taak om de drempel voor technische gereedschappen en methoden te verlagen, en te delen. Zodat je omgeving er gebruik van kan maken.
Want als wij al niet de mensen die ons dierbaar zijn meer handelingsvermogen gunnen. Wie dan wel?

Oefening 3: Wie was jouw voorbeeld?

Als niet jij, wie dan wel? En hoe wil je die rol dan vervullen?
Welke voorbeelden heb je zelf gehad. Wie maakte het verschil? Als mentor, als docente, als begeleider? Wie maakte indruk, welke eigenschappen, welke daden? Mijn eigen allerbeste docent vertelde me later dat hij niet wist wat hij met me aan moest, en dus ook maar wat deed. Dat geeft geestelijk houvast als je zelf voor een groep staat denk ik.

IV Genetwerkt handelingsvermogen vergroten is een diep politieke daad

Samen iets maken dat relevant is voor je eigen omgeving is een superpower.

Techniek, zowel de tastbare kant van hard- en software, en de kant van werkmethoden en processen, geeft die superpower alleen als het kleiner is dan ons als gebruikersgroep, wij er grip op hebben, als het op zichzelf staand nuttig is, maar genetwerkt nog veel nuttiger.

Dat geeft genetwerkt handelingsvermogen, waar iets lokaals doen zin heeft ook in een groter geheel.

We zijn allemaal makers, met een plicht om te delen, ook als je dat zelf onbeduidend vindt. Ook als je eigenlijk niet weet wat je doet. Zoals mijn allerbeste leraar.

Er is altijd iemand voor wie wat jij deelt net het ene zetje is om verder te komen, verder te gaan.

Zodat techniek echt een verlengstuk van onszelf is en blijft. In plaats van iets wat ons overkomt. Of wordt aangedaan.

Complexe vraagstukken los je samen op in groepen, in de context van het vraagstuk zelf. Je bewust van de verbindingen naar groepen elders.
Maar dat werkt alleen als we die superkracht van genetwerkt handelingsvermogen ook weten aan te boren.

Onszelf en anderen om ons heen de weg naar die superpower tonen, is een diep politieke daad. Misschien wel de radicaalste politieke daad die voor iedereen toegankelijk is. Laten zien dat je onderdeel bent van Team Human.

During next week’s DojoCon Netherlands, the annual conference of the Dutch CoderDojo community, Felienne Hermans will be one of the keynote speakers (I’m one of others). Preparing for the conference I looked at the other speakers, and Felienne’s twitter stream ( pointed to her presentation at R Studion Conference 2019 early this year. It’s just under an hour long, but I watched it with pleasure.

The hand drawn slides are cool (can’t imagine the time that went into it, or at least the time I’d need for something like that.), and so is the story, about how to teach (children) programming.

Starting from the quote ‘Morning boys, how’s the water?‘, she says in contrast to e.g. reading, we don’t know much of anything about teaching programming. There’s no body of work (which is what she’s now building at Leiden University).

  • That the way many of us acquired our own tech skills strongly shapes the assumptions about learning to code. Many people growing up in the 70s and 80s learned to work with computers by spending endless hours behind the keyboard, without parental oversight or guidance from knowledgeable adults. I definitely fall in this category too.
  • That those experiences covertly influence the way the field thinks about teaching coding, where exploration and getting stuck and unstuck on your own is the way to go.
  • Research of children learning Scratch suggests however that there are many drop-outs that way, that the acquired skill level flattens out quickly, and that there’s no efficiency gain visible in consequent activities of the children involved.
  • Her research shows that age-old reading teaching tactics such as vocalisation and repeating out loud do work and show consistent results. And that tests work well too. Not to grade children, but to find out as a teacher where you are at.
  • Oh, and that creating applications in Excel is real programming too. Don’t say, or let people say, that some form of something isn’t real work / the real thing.

I feel vindicated by that last point (made early in the keynote) 😀 My meanest programming feat still is building the first intranet (2001/2) of my then employer by hand from scratch using the browser as a window on / to interact with Excel, the folder structure on the shared drives, and back-office systems like time writing, and having the browser grab stuff from Excel files. It was a jumble of HTML, Perl, Visual Basic, and Excel formulas, but it worked and helped cut significant time out of quality assurance processes and made things like starting a new project way easier and actually helpful for my colleagues, instead of being dreary bureaucracy for them. I’d never call myself a real programmer. But it was real programming. Even the tiniest little bits, like yesterday’s simple hack, are real.