This is a somewhat worrying development: the entire .org registry of domain names has been sold to a private equity investor. That basically spells out just one way forward, extraction and rent-seeking. As this step immediately follows from ICANN lifting price increase caps in place earlier this year (against the advise of US competition authorities it appears), and the buyer is a newly established entity it seems to have but that purpose.

“Price hikes in 3, 2, 1, ….” seems to be the consensus.

As this site’s domain is part of the .org TLD (when I registered it in the spring of 2003, it was the one non-country TLD ‘zylstra’ was available for), I briefly looked into my options, to defend against price gouging. My domain name renews on May 3rd 2020, in just under 6 months time. I should be able to renew the domain 60 days before it expires, so by early March, in 4 months. Then I will be able to renew for a 5 year period at once. Which, if it precedes a price hike, means I get to buy myself a few years extra before needing to make a decision.

On a more fundamental level, I am surprised that maintaining a TLD domain name registry is entirely left to market forces by ICANN like that. For instance the Dutch national TLD registry is maintained by a non-profit foundation. Whoever runs a TLD registry has a monopoly by default and the costs of leaving for existing domain holders is very substantial. Combining that, monopoly and lock-in, with private investors whose first commandment is not maintaining the general public service that a domains registry (not: registrar) constitutes is worrisome. E.g. this site has been on this domain name for 16.5 years. This domain name is for all intents and purposes my online unique identifier, and I definitely use it as such. Now, for me personally, moving the entire thing isn’t extremely bothersome in itself. It would sadly cause a major chunk of link-rot, but moving it to e.g. zylstra.eu which I also have can be done without much consequence for myself should the costs of zylstra.org rise uncomfortably. It would however also mean moving my de-facto online identity, which is likely to cause confusion in my networks. That identity confusion, and brand damage will be of an entirely different level if you’re a very established NGO, brand or non-profit on a .org domain. E.g. the World Bank, WordPress or Wikipedia, which coincidentally spells WWW, also hosted on .org. Then leaving is much harder, and you’ll likely go with whatever pricing model gets introduced. If only for after a move someone else will pick your old high-recognition domain up for spoofing and phishing most likely, so you’ll stay put whatever the cost.

It smells like something that should be of interest to competition authorities everywhere.

Bookmarked Breaking: Private Equity company acquires .Org registry – Domain Name Wire | Domain Name News (Domain Name Wire | Domain Name News)

Ethos Capital, led by former ABRY Partners Managing Partner, buys .Org registry. I thought this might happen. And now it has. Fresh off ICANN’s blunder letting Public Interest Registry set whatever price it wants for .org domain names, Internet Society (ISOC) has sold the .org registry Public Interest Registry (PIR) to private equity company Ethos …

Afgelopen zaterdag was ik in Breda voor DojoCon NL, de Nederlandse conferentie van en voor de CoderDojo vrijwilligers. CoderDojo organiseert gratis bijeenkomsten waar kinderen kunnen leren programmeren. Ik was in Nederland nog nooit in een CoderDojo, maar ken het wel: In 2014 was ik in Ierland bij een CoderDojo. De uitnodiging kwam van Marloes, bestuurslid van CoderDojo Nederland, en mijn collega in het Impact door Connectie werk met Fers/Bibliotheek Service Friesland.

Impact door Connectie was ook meteen de directe aanleiding voor de uitnodiging om te komen spreken op DojoConNL. Want daar ging het er om kinderen in staat te stellen met techniek invloed te nemen op hun eigen omgeving. Technologie in de vorm van tastbare dingen als hardware, software, en digitale maakmachines, maar ook technologie in de vorm methoden en werkvormen waarvan we weten dat ze goed werken. En de combinatie van die vormen van technologie. CoderDojo gaat misschien meer over de interesse en vaardigheden in programmeren en techniek op zich, maar maakt volledig deel uit van dat geheel.

Mijn verhaal maakte ik de donderdag en vrijdag voor de conferentie. Uiteindelijk werd het eigenlijk een Nederlandse en veel meer gedetailleerde en verhalende versie van mijn presentatie vorig voorjaar op State of the Net in Italië. Centraal stond hoe en wanneer technologie leidt tot meer handelingsvermogen, en wanneer dat wel (en niet) tot het gevoel leidt dat je een superkracht hebt ontdekt, uiteindelijk gekoppeld aan de rol die je als CoderDojo vrijwilliger dan kunt nemen. Ik had een uur de tijd, dus ik knipte het op in secties, met tussendoor telkens een korte oefening of vraag voor alle mensen in de zaal.

I De superkracht van samen betekenisvolle dingen doen

Wat opvalt aan de groep waarmee we in Leeuwarden werkten was de enorme energie die loskwam bij de kinderen. Ook maanden na het project waren ze er nog vol van, en noemden ze het het leukste wat ze gedaan hadden.

Als je kinderen van een jaar of 10 echter voor het eerst vraagt wat er nodig is in hun omgeving, wat ze willen maken is het antwoord in het begin vooral “Robots!”. Om je kamer op te ruimen, want kennelijk is het net de leeftijd waarop ze dat zelf moeten doen, en dan is het handig voor die opruimtaak je ouders te vervangen door een robot .

In volgende gesprekken kwamen we verder in de vraag wat wil je veranderen, verbeteren of toevoegen aan je eigen omgeving? Om vervolgens te verkennen wat je zelf daaraan kunt doen, wat anderen in je omgeving daaraan kunnen doen, en wat er dan nog ontbreekt in termen van techniek of methoden.
Ontbrekende delen werden dan aangereikt door het team van Fers (Bibliotheek Service Fryslan).
De klassieke rol van bibliotheken van het aanreiken en toegang geven tot kennis, in een nieuw jasje dat ook digitalisering en maken omvat.

Sommige kinderen vonden hun weg snel daarin, soms moet je ook eerst wat dingen overwinnen. Er was een kind dat zei niets te kunnen, niets echt leuk te vinden. Een ander zei te houden van dingen mooi maken, maar “daar heb je niks aan”. Dat klinkt beiden niet als de stem van het kind, maar een projectie van buitenaf.

Uiteindelijk werd er van alles gemaakt, een periscoop om gedumpt afval in viswater op te sporen, zelfgemaakte telefoonhoesjes (helaas niet likbaar met een smaakje), een beloningssysteem op school (ipv alleen straf bij slecht gedrag), een mobiel pestalarm voor op het schoolplein, een programmeerbaar slot op je kamerdeur tegen jongere broertjes of zusjes, en een mp3 speler voor luisterboeken in de klas.

Samen zelf iets oplossen voor je eigen omgeving gaf de kinderen in de groep een enorme energie. Een gevoel een superkracht te hebben aangeboord. En dat is het natuurlijk ook. Invloed nemen op je omgeving voor iets wat je belangrijk vindt is echt een superkracht.

Oefening 1: wanneer voelde jij je een superheld door iets te maken?

Als oefening vroeg ik iedereen in de zaal iemand naast je te vertellen over iets dat je zelf maakte of deed dat je het gevoel gaf een superkracht te hebben. Dat leidde tot geanimeerde gesprekken, waardoor het bijna onbeleefd voelde om het na 3-4 minuten te onderbreken om verder te gaan met mijn verhaal.

II De vier ingrediënten die die superkracht mogelijk maken

Dat iedereen in de zaal wel momenten kon aanwijzen waarop ze voelden die superkracht te hebben, betekent tegelijkertijd dat je dat gevoel niet bij alles wat je maakt of afrondt hebt, en al helemaal niet continue dat gevoel hebt. Eerder is het omgekeerde geval, een grote honger naar betekenisvolle actie.

Ik denk dat dat komt omdat er vier ingrediënten nodig zijn om die superkracht te ervaren.

  • Het vraagstuk moet er toe doen voor je persoonlijk in je eigen omgeving
  • Je werkt met alle bij de vraag betrokkenen uit je eigen omgeving samen aan een oplossing,
  • De technologie die je gebruikt heeft een specifieke vorm,
  • Zowel de mensen als de techniek die ze gebruiken zijn genetwerkt, ook weer op een heel bepaalde manier.

II.1 Het vraagstuk moet er in de eigen omgeving voor jou toe doen

Allereerst moet het vraagstuk waaraan je werkt er toe doen voor jou en je omgeving. In complexe vraagstukken, zijn er geen algemene oplossingen, die ieder voor zich kan doen. Maar je kunt wel uitgaan van hoe iets in jouw eigen omgeving tot uitdrukking komt en betekenis heeft. En het zijn de mensen in diezelfde omgeving die voor elkaar betekenisvol in actie kunnen komen. Waar willen jij en de mensen die er voor jou toe doen impact bewerkstelligen in hun eigen leefomgeving?
Als het er voor jezelf niet direct toe doet, waarom zou je dan? Wat er toe doet is dus een belangrijke vraag om tijd aan te besteden met je omgeving.

II.2 Je werkt met alle bij de vraag betrokkenen uit je eigen omgeving samen aan een oplossing
Een ander aspect is dat je het niet alleen doet maar met zoveel mogelijk van de betrokkenen rond het vraagstuk die deel uitmaken van je directe omgeving en context. Het gaat namelijk niet om jouw handelingsvermogen als individu (kijk wat ik kan), en niet om de maatschappij als geheel (one size fits all oplossingen), maar om het handelingsvermogen van een groep. Dat is het tweede ingredient: je doet het met alle betrokkenen.

Op groepsniveau worden wederzijdse afhankelijkheden en feedbackloops zichtbaar die in complexe vragen de uitkomsten bepalen. Dat is het schaalniveau van plukjes relaties, communities, buurten.

Dat maakt jou en je directe relaties in de context van een specifieke vraag tot de eenheid van handelen. Jij en je buren, zoals de Marokkaanse buren tijdens wereld opruimdag in slide 23, jij en je collega’s, jij en je sportteam, of jij en je klasgenoten zoals in Leeuwarden.

Nou zijn die eerste 2 ingrediënten, eigen issues, en samen met alle betrokkenen, van oudsher van belang. Collectieve actie is van alle tijden. De volgende 2, de rol van technologie, en netwerken, zijn van gedaante veranderd door de wereldwijde digitalisering. Zij geven een vliegwiel aan die collectieve actie. En in het vliegwiel schuilt de superkracht.

II.3 De technologie die je gebruikt heeft een specifieke vorm
Technologie, zowel hard- en of software als methodieken, waarvan we weten dat ze veel kunnen betekenen en goed werken, dragen alleen bij aan een superkracht als het een bepaalde vorm heeft.
Instapdrempels zijn belangrijke obstakels. Bij elke nieuwe technologie uit de lijst in slide 27 was er wel een belofte dat het voor iedereen haalbaar is. Het wordt ook wel makkelijker, maar het is nog lang niet simpel genoeg.

Technologieën staan nooit op zichzelf. Het draait juist ook om combinaties van technologieën. Open source hardware om iets te meten, open source software om het te verwerken, open data om te delen en community building om de resultaten te gebruiken, bijvoorbeeld. In termen van handelingsvermogen moet je dus ook denken in combinaties van technieken en methodieken.

Niet alle technologie echter geeft je een gevoel van kracht.
De groep die in hun eigen context aan de slag is, voelt die kracht als ze technologie gebruiken die grijpbaar is voor de groep, kleiner is dan de groep zelf.

Kleiner betekent dat de macht over het gereedschap geheel bij de groep moet liggen:

  • De groep beslist over het waar, wanneer en voor wie de techniek wordt ingezet.
  • De scope van het gereedschap moet dat van de groep zelf zijn. Een forum voor je team, niet een teampagina op Facebook, want daar is de scope wereldwijd.
  • De groep kan het gereedschap veranderen, kan dingen toevoegen, of weg halen, er op voort bouwen.
  • Alleen de groep zelf kan de aan- en uitknop bedienen, niemand anders.
  • Het gereedschap is voldoende begrijpbaar en transparant voor de groep om de werking te vertrouwen.
  • Het gereedschap communiceert alleen met andere gereedschappen als de groep het wil.

II.4 Zowel de mensen als de techniek die ze gebruiken zijn genetwerkt, ook weer op een heel bepaalde manier
Het vierde ingredient, netwerken, geeft aan die technologie die kleiner is dan de gebruikers ervan, en aan de groepen gebruikers zelf nog een extra draai. Gedistribueerde digitale netwerken en menselijke netwerken vertonen veel gelijkenissen, en die overlap kun je als uitgangspunt nemen om meer handelingsvermogen te bereiken.

Voor technologie betekent het netwerkperspectief dat 1 instantie ervan nuttig moet zijn op zichzelf, maar dat het versnellend kan werken en kwalitatief andere resultaten geeft als meerdere instanties zich met elkaar kunnen verbinden. Een eigen 3d printer is handig, maar het is ook handig dat je ontwerpen met anderen kunt delen, of met andere mensen ingewikkeldere dingen kunt printen, zoals op maat gemaakte handprotheses.

Genetwerkte techniek maar collectieve actie mogelijk. Ik heb een sensor in de tuin die de temperatuur meet. Handig voor mij. Maar die sensor deelt ook data online, en zo’n honderd anderen doen dat ook in de stad. Daarmee hebben we ineens een kaart van microklimaten in de stad, waar overheden, burgers allemaal iets mee kunnen, en ontstaat er collectieve waarde.

Dat netwerk effect speelt ook op menselijk niveau. Die groep buren in Marokko net hebben zwerfvuil opgehaald. Dat is nuttig in hun wijk, maar ze deden het in context van World Clean Up day, en op die dag lopen er ook vrijwilligers bij mij in de wijk rond. Beide groepen weten zich gesterkt door het idee dat ze er niet alleen voor staan. En al die groepen wereldwijd maken gebruik van elkaars kennis: om lokale medestanders te vinden, om blijvend effect te hebben.
Ook hier, 1 groep op zich doet nuttige dingen, maar het wordt waardevoller als ze het in verbinding met anderen doen.

De groep, de eenheid van handelingsmacht, is geen eiland, maar een genetwerkte groep.

Die prothesemakers en die buurvrouwen zijn superhelden.
Technologie en methoden die kleiner zijn dan een groep zelf, is het gereedschap dat het hen makkelijker maakt om een maker te zijn. Een maker die met anderen actief haar omgeving mee bepaalt en vormt. Steunend op netwerken voor kennis en inspiratie, en bijdragend aan netwerken voor meer effect.
Het zijn die groepjes genetwerkte makers die het gevoel ervaren een superkracht te hebben.

Oefening 2: Wie is eigenlijk een maker?

Maar wie is een maker? Steek je hand op als je ooit een
wetenschappelijk artikel publiceerde, iets ontwierp, een computerprogramma schreef, een voorwerp maakte, een liedje componeerde, een liedtekst schreef, een opname maakte van jezelf terwijl je muziek maakt of zingt, een video maakte, een foto, een gedicht schreef, een scriptie, een roman, een verhaal, ooit een tekening maakte, een grap bedacht, een goocheltruc bedacht, een blogpost schreef, een Tweet die veel mensen leuk vonden, een Sinterklaasgedicht.

III Een maker heeft morele verplichtingen

Iedereen is eigenlijk een maker dus. Als je ooit een van de dingen uit die lijst hierboven hebt gemaakt, heb je economische en morele rechten verworven. Iedereen die iets maakt creëert rechten op het gemaakte. Auteursrechten bijvoorbeeld. En als maker ben je, vind ik, moreel gehouden iets met die rechten te doen. Om op elkaars kennis voort te kunnen bouwen, moet je er toegang toe hebben, en de mogelijkheid het te gebruiken en te veranderen. En het dan weer te delen, zodat iemand anders het weer verder kan brengen. Dit is hoe alle menselijk kennis is verworven. Dat betekent dat rechthebbenden wel duidelijk moeten aangeven dat wat ze maakten beschikbaar is voor de gemeenschappelijke pool van kennis en cultuurgoed, zodat anderen er zonder te twijfelen op voort kunnen bouwen. Met een Creative Commons licentie bijvoorbeeld. Delen is een must vind ik, al vergt dat vaak zelfoverwinning. Iedereen heeft wel eens iets niet gedeeld, terwijl dat wellicht wel nuttig was geweest, omdat ze het niet goed genoeg vonden, om omdat ze het te triviaal vonden.

Ook na 17 jaar bloggen moet ik me telkens weer voorhouden dat het ok is om iets eenvoudigs er op te zetten. Maar als ik zelf ook heb zitten googelen voor hints hoe ik iets zou kunnen doen is het waarschijnlijk nuttig om te delen hoe ik het uiteindelijk heb gedaan.

De Techpledge sterkt me in die overtuiging. Die roept op om verantwoording te nemen voor wat je maakt. Een moreel pakketje commitments naast de rechten die je verwierf door iets te maken. Te blijven praten over de macht die technologie je kan geven, en of die macht wel op de juiste plek ligt. Je bent niet klaar als je iets hebt gemaakt. Dan begint het moreel eigenaarschap pas.

Dat moreel eigenaarschap strekt zich ook uit over wáár je deelt wat je deelt. Platforms komen en gaan. Ze zijn geen voorbeeld van technologie die kleiner is dan jijzelf. Jij beschikt niet over de uitknop.
Duurzaam delen betekent dat het op een webadres staat waar jij over kunt blijven beschikken. Zodat je het kunt repareren als iets ophoudt te werken. Elk platform gaat ter ziele, bedrijven bestaan gemiddeld 4 tot 5 maal korter dan de gemiddelde levensduur van een mens. Het IndieWeb stelt duurzaam delen centraal: jouw online identiteit op jouw domeinnaam, jouw content, en jouw interactie. Je kunt platforms wel gebruiken, maar er niet op bouwen .

Delen hoort bij het moreel eigenaarschap. Mijn vriend Peter heeft het over een obligation to explain. Als je iets met techniek doet, of groepen begeleidt, heb je een taak om de drempel voor technische gereedschappen en methoden te verlagen, en te delen. Zodat je omgeving er gebruik van kan maken.
Want als wij al niet de mensen die ons dierbaar zijn meer handelingsvermogen gunnen. Wie dan wel?

Oefening 3: Wie was jouw voorbeeld?

Als niet jij, wie dan wel? En hoe wil je die rol dan vervullen?
Welke voorbeelden heb je zelf gehad. Wie maakte het verschil? Als mentor, als docente, als begeleider? Wie maakte indruk, welke eigenschappen, welke daden? Mijn eigen allerbeste docent vertelde me later dat hij niet wist wat hij met me aan moest, en dus ook maar wat deed. Dat geeft geestelijk houvast als je zelf voor een groep staat denk ik.

IV Genetwerkt handelingsvermogen vergroten is een diep politieke daad

Samen iets maken dat relevant is voor je eigen omgeving is een superpower.

Techniek, zowel de tastbare kant van hard- en software, en de kant van werkmethoden en processen, geeft die superpower alleen als het kleiner is dan ons als gebruikersgroep, wij er grip op hebben, als het op zichzelf staand nuttig is, maar genetwerkt nog veel nuttiger.

Dat geeft genetwerkt handelingsvermogen, waar iets lokaals doen zin heeft ook in een groter geheel.

We zijn allemaal makers, met een plicht om te delen, ook als je dat zelf onbeduidend vindt. Ook als je eigenlijk niet weet wat je doet. Zoals mijn allerbeste leraar.

Er is altijd iemand voor wie wat jij deelt net het ene zetje is om verder te komen, verder te gaan.

Zodat techniek echt een verlengstuk van onszelf is en blijft. In plaats van iets wat ons overkomt. Of wordt aangedaan.

Complexe vraagstukken los je samen op in groepen, in de context van het vraagstuk zelf. Je bewust van de verbindingen naar groepen elders.
Maar dat werkt alleen als we die superkracht van genetwerkt handelingsvermogen ook weten aan te boren.

Onszelf en anderen om ons heen de weg naar die superpower tonen, is een diep politieke daad. Misschien wel de radicaalste politieke daad die voor iedereen toegankelijk is. Laten zien dat je onderdeel bent van Team Human.

Today 17 years ago, at 14:07, I published my first blog post, and some 2000 followed since then. Previously I kept a website that archive.org traces back to early 1998, which was the second incarnation of a static website from 1997 (Demon Internet, my first ISP other than my university, entered the Dutch market in November 1996, and I became their customer at the earliest opportunity. From the start they gave their customers a fixed IP address, allowing me to run my own server, next to the virtual server space they provided with a whopping 5MB of storage 😀 .) Maintaining a web presence for over 22 years is I think the longest continuous thing I’ve done during my life.

Last year I suggested to myself on my 16th bloggiversary to use this date yearly to reflect:

Last year the anniversary of this blog coincided with leaving Facebook and returning to writing in this space more. That certainly worked out. Maybe I should use this date to yearly reflect on how my online behaviours do or don’t aid my networked agency.

In the past 12 months I’ve certainly started to evangelise technology more again. ‘Again’ as I did that in the ’00s as well when I was promoting the use of social software (before it’s transformation into, todays mostly toxic, social media), for informal learning networks, knowledge management and professional development. My manifesto on Networked Agency from 2016, as presented at last year’s State of the Net, is the basis for that renewed effort. It’s not a promotion of tech for tech’s sake, as networked agency comes part and parcel with ethics by design, a perception of digital transformation as distributed digital transformation, and attention in general for how our digital tools are a reflection and extension of our human networks and human nature (when ‘smaller‘ and optionally networked for richer results).

Looking back 12 months I think I’ve succeeded in doing a few things on the level of my own behaviour, my company, my clients, and general communities and society. It’s all early beginnings, but a consistent effort of small things builds up over time steadily I suppose.

On a personal level I kept up the pace of my return to more intensive blogging two years ago, and did more to make my blog not only the nexus but also the starting point for most of my online material. (E.g. I now mostly send out Tweets and Toots from my blog directly). I also am slowly re-adopting and rebuilding my information strategies of old. More importantly I’m practicing more show and tell, of how I work with information. At the Crafting {a} Life unconference that Peter organised on Prince Edward Island in June I participated in three conversations on blogging that way. Peter’s obligation to explain is good guidance in general here.

For my company it means we’ve embarked on a path to more information security awareness, starting with information hygiene mostly. This includes avoiding silos where possible, and beginning the move to a self-hosted Slack-like environment and our own cloud. This is a reflection of my own path in this field since the spring of 2014, then inspired by Brenno de Winter and Arjen Kamphuis, whose disappearance a year ago made me more strongly realise the importance of paying lessons learned forward.

With clients I’ve put the ethics of working with data front and center, which includes earlier topics like privacy law, data sovereignty and procurement, but also builds on my company’s principle of always ensuring the involvement of all external stakeholders when it comes to figuring out the use and value of open government and open data. Some of that is awareness raising, some of that is ensuring small practical steps are taken. Our company is now building up a ‘holistic’ data governance program for clients that includes all this, not just the technical side of data governance.

On the community side several things I got myself involved in are tied to this.

As a board member of Open Nederland I help spread the word about how to allow others to make use of your work with Creative Commons licenses, such as at the recent Open Access Week organised by the Leeuwarden library. Agency and making, and especially the joy of finding (networked) agency through making, made possible by considered sharing, was also my message at the CoderDojo Conference Netherlands last weekend.

Here in the Netherlands I co-hosted two IndieWebCamps in Utrecht in April, and in Amsterdam in September (triggered by a visit to an IndieWebCamp in Germany a year ago). With my co-organiser Frank we’ve also launched a Meet-up around IndieWeb in the hope of more continuously engaging a more local group of participants.

I’ve also contributed to the Copenhagen 150 this year at Techfestival, which resulted in the TechPledge. Specifically I worked to get some version of being responsible for creating ongoing public debate around any tech you create in there, to make reflection integral to tech development. I took the TechPledge, and I ask you to do the same.

Another take-away from my participation in the Copenhagen 150, is to treat my involvement in the use and development of technology more deliberately as a political act in its own right. This allows me to feel a deeper connection I think between tech as extension of human reach and global topics that require a sense of urgency of humanity.

Here’s to another year of blogging, and, more importantly, reading your blog!

Human life expectancy is about 80. A company’s life expectancy is about 15 years. When they disappear they will take your data down with them. You can use platforms for reach and collaboration fine, but also having your own ‘mothership’ to host your original material is about 5 times as sustainable.

During next week’s DojoCon Netherlands, the annual conference of the Dutch CoderDojo community, Felienne Hermans will be one of the keynote speakers (I’m one of others). Preparing for the conference I looked at the other speakers, and Felienne’s twitter stream ( pointed to her presentation at R Studion Conference 2019 early this year. It’s just under an hour long, but I watched it with pleasure.

The hand drawn slides are cool (can’t imagine the time that went into it, or at least the time I’d need for something like that.), and so is the story, about how to teach (children) programming.

Starting from the quote ‘Morning boys, how’s the water?‘, she says in contrast to e.g. reading, we don’t know much of anything about teaching programming. There’s no body of work (which is what she’s now building at Leiden University).

  • That the way many of us acquired our own tech skills strongly shapes the assumptions about learning to code. Many people growing up in the 70s and 80s learned to work with computers by spending endless hours behind the keyboard, without parental oversight or guidance from knowledgeable adults. I definitely fall in this category too.
  • That those experiences covertly influence the way the field thinks about teaching coding, where exploration and getting stuck and unstuck on your own is the way to go.
  • Research of children learning Scratch suggests however that there are many drop-outs that way, that the acquired skill level flattens out quickly, and that there’s no efficiency gain visible in consequent activities of the children involved.
  • Her research shows that age-old reading teaching tactics such as vocalisation and repeating out loud do work and show consistent results. And that tests work well too. Not to grade children, but to find out as a teacher where you are at.
  • Oh, and that creating applications in Excel is real programming too. Don’t say, or let people say, that some form of something isn’t real work / the real thing.

I feel vindicated by that last point (made early in the keynote) 😀 My meanest programming feat still is building the first intranet (2001/2) of my then employer by hand from scratch using the browser as a window on / to interact with Excel, the folder structure on the shared drives, and back-office systems like time writing, and having the browser grab stuff from Excel files. It was a jumble of HTML, Perl, Visual Basic, and Excel formulas, but it worked and helped cut significant time out of quality assurance processes and made things like starting a new project way easier and actually helpful for my colleagues, instead of being dreary bureaucracy for them. I’d never call myself a real programmer. But it was real programming. Even the tiniest little bits, like yesterday’s simple hack, are real.

Last week was Open Access Week, and the combined libraries of Leeuwarden (both the public ones and those of higher education) for the first time organised daily public presentations and discussion around Open Access. Thursday, I was the last person to provide a presentation in the week long program, and I was invited to talk about Creative Commons. It’s the first time I gave a talk in my role as a board member of Open Nederland, the Dutch supporting association behind the Dutch Creative Commons Chapter. It’s still a very personal take, and mostly only the Creative Commons related information is part of the Open Nederland role, the rest is my own experience and perspective from the field. Below is the transcript with the slides:

Thank you for the opportunity to talk about Creative Commons during Open Access Week. My contact details are down there, including twitter accounts, so if you have remarks or questions after we finished our conversation here today, you can use those. I’m here representing Open Nederland, which is the Dutch association of makers, and those interested in having a bigger pool of communal reusable creative output. Open Nederland powers the Dutch Chapter of the Creative Commons organisation.

First off all, I think it is fantastic that the Leeuwarder libraries are taking part in OA Week. Libraries are a fundamental building block of our socio-cultural resources, the commons of knowledge and re-usable artefacts, the creative commons. Open Access seeks to extend, or actually restore part of that commons, that over time has become less accessible, fenced off even. And Creative Commons licenses in turn are a building block of the Open Access effort.

Now a word of caution, I am not a lawyer. I am a pragmatist. So I am looking at all of the Open Access and Creative Commons licensing issues from a practical perspective, what it means in terms of the value to society, to all of us as the human collective. The expressed opinions are all mine, and the provided information is ‘as is’, and not legal advice.

I want to speak first about Open Access and scientific publishing, and what it means to me, my specific perspective on it. Then I will zoom in on the role of Creative Commons licenses, and your own role and individual responsibility in all of this. Let’s start with this, the Open Definition by Open Knowledge International.

Open means
anyone can freely access, use, modify, and share for any purpose
(subject, at most, to requirements that preserve provenance and openness).

Freely here means both gratis, and libre, free as in beer and as in freedom.

Now this includes both the words Open and Access, but Open Access is not merely a subset of the Open Definition.

Open Access in fact covers most if not all of the Open Definition. It is basically a different representation of the scientific method, where one builds on the knowledge gained by those before you.

In order to build on the work of others, you need to have acces to it, AND be able to use and modify it, and then share it to see it taken further by yet another. This is how all human knowledge has come to be.

Building knowledge increases our collective ability to act. It’s a lever to do bigger things., to jump higher. Increasing our agency. Striking power. Resilience to counteract negative things. Agility to build on opportunities. Agency, the ability to act, is the fundamental drive behind our curiosity, our science. Agency to me is the crux of it all.

To me that there is a notion of Open Access, right next to the scientific method itself of which communication and community is already part and parcel, is because we are in a transition. Where one of the elements in making science work, in increasing agency, has become problematic: scientific publishing.

From the 16th century, when e.g. Louis Elzevier published Galilei’s Discorsi in Leiden, scientific publication increased our agency by providing multiplication and distribution, and because of those two discoverability. However digitisation and internet have made those first two trivial to do. Almost everyone has that ability now, it’s no longer an agency bottle neck. It has been democratised. Discovery still remains a hard thing to do, is the one remaining potential value add, but there are others equally or better positioned to serve it.

Meanwhile the pricing model of scientific publishing has gone the other way, based on academia’s addiction to using publications as reputation indicator. To the point where large parts of the scientific world, mostly outside highly developed economies, are practically excluded. They are actively and unnecessarily disconnected. Cut off from our collective pool of knowledge. Can’t use it. Can’t contribute to it. The same is true for non-academics: my work has been the subject of at least three PhDs and all the papers resulting from them, but I have no easy way to built on those results in my own practice or work.

From solving a bottle neck for hundreds of years, one of access and availability, scientific publishing now is the bottle neck. This is why I personally think Sci-Hub is morally ok, even if it isn’t legal. Morally ok, because it is aligned and in support of the scientific method and community, seeking to circumvent an existing bottle-neck for the express purpose of democratisation.

Open Access is the less radical, gradual way of resolving that bottle neck. To strengthen free discourse about theories and findings. To regain the crucial access and ability to re-use that increases our agency. And do so for a much wider group of people. Researchers, non-academic researchers, and practitioners alike. By publishing scientific papers according to the open definition. In Europe it is becoming more and more mandatory for publicly funded research to be open access, until it becomes the new normal.

As I said earlier, what we are all after is to increase our ability to act, and having access to knowledge and being allowed to re-use it are key elements.

Openness is what allows that access and usage. And what enables agency, our ability to act.

For that it must be very clear, something is open, that you’re allowed to access, copy and re-use something, such as a scientific paper. A clear signal that individuals, researchers and academic institutions can easily give, and anyone can easily recognise. It takes a very clear license, that immediately conveys what the author allows. Otherwise you have to assume nothing is allowed.

That clear license is Creative Commons. Most if not all Open Access publications carry a Creative Commons license, or more precisely a few specific versions of a Creative Commons license.
It is an add-on to regular copyright, and also covers database rights. It’s a tool for an author or creator to manage their copyright conditions.

Let’s dive deeper into what Creative Commons is. And that dive starts with copyright.

Copyright is an automatic right that any creator gets upon creation of an artefact (not ideas, not mere data). ‘All rights reserved’ is the default. It provides a ‘temporary’ monopoly, where temporary means 70 years after you died, so not really temporary in any practical sense. If someone else wants to do something with it, it needs permission. You need to write to the author, negotiate the terms, and document the agreement. It’s a lot of work, for both author and re-user, that needs to happen for each and every use.

Creative Commons is a tool for an author or creator to give up front permission for specific conditions of re-use. No need to ask for permission, no need for negotiations, no need for contracts. From all rights reserved to some rights reserved. This allows for nuance, and to create conditions that foster knowledge sharing, stimulates creativity and equal access to all.

The principles behind CC licenses are that it’s 1 to everyone. Unlike a copyright agreement, you can’t revoke it for existing users. It’s based on 4 building blocks.

The 4 building blocks are: Attribution, Share Alike, Non-Commercial, No Derivative Works.
Creative Commons licenses allow you to create nuance with these four building blocks.

With those blocks you can create 7 different licenses, based on which and how many building blocks you use. Some are more open, some are less open.

Open Access is only those three green ones, because only they align with the open definition of free acces, use, modification, sharing, with at most mentioning the source, or sharing openly again.

These CC licenses can be applied to anything you create, where you have copyright, or where you have database rights. By doing so, especially with an open license, you are enriching our common cultural pool of artefacts and knowledge. The core principle is if you allow others to build on it, you create agency for others. There’s an enormous amount of artefacts out there already, the CC website claims over 1.6 billion.

Some of those 1.6 billion and more works with a CC license, are by me. My weblog has had a Creative Commons license for 17 years. Attribution, Share Alike. It’s an open license, because I want my blog to create conversations about my professional interests by thinking out loud. That needs openness.

I also share my photos on Flickr with a CC license, attribution, share alike and non-commercial. This is not an open license, as I think it is only fair if someone makes money with my photos, I get some share of it. Non-commercial newspapers however have used my images, as have NGOs and e.g. schools.

I don’t want to show all 1.6 billion examples but just a few to give you a sense of the diverse angles.
Dutch government publishes all their open data with creative commons licenses. This is not strictly needed from a copyright view, as Dutch government only needs to give permission if they claim copyright on their artefact, otherwise you can assume you can use it. However, they do want to give a very clear signal, to those who don’t know of the specific quirks of Dutch copyright law, such as people outside the Netherlands.

This site, for instance has freely re-usable music.
And if you search for CC license photos you can use sites like Flickr which I just mentioned, where there are 4500 open licensed photos of Leeuwarden. Some of which are from the Leeuwarden city archive.

This type of sharing allows for collective action, not just individual agency. I have a sensor kit in my garden. It shares data online, many other people and their sensors do too. And together we build knowledge about how my city deals with heat and micro climates. This citizen science project collaborates with government and academic institutions, and leads to publications. Because all parts in the chain use open licenses, that works smoothly.

I’d like to put it to you that CC is useful for everything you make and create, scientific or not, to allow yourself and others more agency.

Raise your hand if,
You have ever written a scientific paper,
Have ever designed something,
Made something (like a 3d print, or a laser cut object),
Made a song,
Wrote song lyrics,
Made a recording of yourself making music or singing,
Made a video,
Made a photo,
Wrote a poem, a thesis, a novel, a story,
Ever made a drawing, came up with a joke, a magic act,
Wrote a blogpost, a Tweet?

You all are makers. You all are copyright holders, whether you realised it or actively used that right or not. And if you ever share(d) anything of what you make, you could add to the common pool of our cultural heritage, our creative commons, by using a CC license. Let’s not wait until we all have been dead for 70 years and copyright expires, because that means for something you create today it will take another 100 to 150 years for it to become generally available.
Use open resources, and share back to our creative commons from your own creative output. So you allow others to do more too.

As a student, a teacher, a researcher, a maker, a citizen, be the change you want to see when it comes to Open Access.
Use and apply open licenses.
Copyright gives you a monopoly, and CC allows you to easily put that monopoly to communal use.

CC licenses are not what makes our creative commons, our collective space for culture and progress. People, you and me, make that commons. But using a Creative Commons license, is a clear signal you want to be part of that, part of “team human”.

And if you want to help spread that mission, you’re very welcome to join the Open Nederland association, that powers the Dutch Creative Commons chapter. We’re open. And it’s free.

Thank you for your time and attention.